Borgen en Steenhuizen
Naar algemeen wordt aangenomen, zijn de voorgangers van de borgen de steenhuizen
geweest. De oudste vorm bestond uit een vierkante houten toren en vanaf de 13e eeuw,
stenen toren. Zij dienden slechts als vlucht- en opslagruimte. Men woonde in houten
gebouwen die bij de steenhuizen stonden (schathuizen). Sommige van deze woontorens
lagen op strategische punten. Voorbeelden hiervan zijn de Allersmaborg ten noorden
van Ezinge, bij de uitwatering van het noordelijk deel van de landstreek Middag op
het Reitdiep en het eerste huis Harssens bij de samenvloeiing van Hunze en Drentse
Aa.
Aangenomen wordt dat in de tweede helft van de 13e eeuw de steenhuizen geen vreemd
verschijnsel meer waren in de Ommelanden. Voor de 14e en 15e eeuw wordt het aantal
steenhuizen in Groningen geschat op zo'n 600 á 700. In de 16e eeuw verdween de
functie van het steenhuis als militair steunpunt doordat het niet bestand was tegen
het nieuwe veldgeschut. Het belangrijkste aspect werd toen de bewoonbaarheid.
Tegenwoordig is men van mening dat niet alle steenhuizen een strategische functie hadden.
Bijvoorbeeld de pastorieën, waarvan de oudste in het Eems-Dollard gebied, die te
Warffum, rond 1300 is gebouwd. Deze had al direct een deur en smalle vensters op de
begane grond.
Een aantal steenhuizen werd uitgebouwd tot een rechthoekig door water en singel
omringd gebouw waarin de oorspronkelijke woontoren verborgen kwam te liggen in
bijvoorbeeld de keuken (Verhildersum) of de achter kamer (Allersma). Zo ontstonden
uit de steenhuizen de borgen. Niet elk steenhuis is een borg geworden. Vele waren
al voor die tijd verwoest door oorlogen of door de Stad die in de 14e en 15e eeuw
veel steenhuizen van politieke tegenstanders sloopte.
De in de loop van de tijd ontstane kasteelachtige complexen werden in de 17e en 18e
eeuw verfraaid tot landhuizen. Rondom de borg werden tuinen en parken aangelegd,
eerst in Franse (rococo), later in Engelse landschapstijl.
Met de neergang van de adel en borgen in de 17e eeuw, volgde na 1800 het definitieve
verval. Dit leidde tot de sloop van de meeste borgen.
Kwam er na de afbraak geen bebouwing meer terug, dan trad een geleidelijke degradatie
van het reliëf op: de grachten verlandden of werden gedempt, het terrein werd geleidelijk
verlaagd en de beplanting verdween. Soms nam een boerderij de plaats van de borg in
(onder andere Aldringaborg bij Feerwerd, Englumborg en Jensema bij Oldehove).
In recente tijd zijn veel borgterreinen (de sporen van grachten en singels) verdwenen
door landbouwkundige ontwikkelingen zoals egalisatie en perceelvergroting.
Bewaard gebleven borgen in het Reitdiepgebied zijn Verhildersum bij Leens, Allersma
bij Ezinge en Piloursma bij Den Ham. Van het kasteel te Selwerd, dat lag tussen de
Selwerderhof en het Van Strakenborghkanaal, zijn de singels en grachten herkenbaar
gebleven in het terrein. Hier stond in de 13e eeuw een vierkante stenen toren omgeven
door een ronde gracht.
Uit: Het Reitdiepgebied 1994
Terug